Verbindingslijnen en vormranden bewerken met het infovenster Lijnen en vormen

In het infovenster Lijnen en vormen kunt u het uiterlijk van de geselecteerde verbindingslijnen wijzigen, of het uiterlijk van de lijn rondom de geselecteerde vormen.
Het aankruisvak Lijndikte bepaalt of het pad van de verbindingslijn of de buitenrand van de vorm een lijn moet zijn. Als dit aankruisvak is ingeschakeld, worden de regelaars actief waarmee u het uiterlijk van de lijn kunt wijzigen.
Er zijn twee knoppen om te bepalen of de lijn een enkele of een dubbele lijn moet zijn.
Klik op het kleurenvak om een kleur te kiezen voor de lijn.
Geef een waarde op in het veld Dikte of gebruik de pijlknoppen ernaast om aan te geven hoe dik de lijn moet worden.
Gebruik het veld Hoekradius om aan te geven welke ronding de hoeken van de vorm of lijn moeten krijgen. Als u 0 opgeeft, worden er rechte hoeken weergegeven.
In het eerste van de drie venstermenu's bepaalt u het lijnpatroon (ononderbroken, strepen, stippen, enzovoort). In het middelste venstermenu bepaalt u hoe de lijn er aan de uiteinden uitziet. Met de optie Stomp wordt de lijn aan het einde loodrecht afgekapt, terwijl met de opties Afgerond en Vierkant de lijn na het eindpunt doorloopt op basis van de lijnbreedte. In het derde venstermenu bepaalt u hoe de streek er op de hoeken uitziet. Met de optie Hoekig creëert u een scherpe hoek, Afgerond zorgt voor een afgeronde hoek en met Schuin creëert u een soort afgekapte scherpe hoek.
Het onderste gedeelte verandert al naar gelang het type object dat u hebt geselecteerd.
Als u een vormobject hebt geselecteerd, geldt het volgende:
Er verschijnt een raster met de beschikbare vormen. Het omvat alle ingebouwde OmniGraffle-vormen plus alle aangepaste vormen van het huidige canvas (de vormen die zijn gecreëerd met het pengereedschap of met vormcombinaties).
Als u een verbindingslijn hebt geselecteerd, geldt het volgende:
De drie venstermenu's bepalen de stijl van het einde, midden en begin van de lijn. Gebruik de menu's voor het einde en het begin om de uiteinden van de lijn in te stellen. In het middelste menu stelt u in hoe de lijn loopt vanaf zijn bron naar zijn doel: Recht voor een lijn die het korst mogelijke pad tussen punten volgt, Gebogen voor een lijn die met vloeiende buigingen langs alle punten gaat, Orthogonaal voor een lijn die altijd horizontaal of verticaal loopt, of Bezier voor een lijn met stuurpunten die u kunt aanpassen met het selectiegereedschap.
Gebruik de velden onder de "kop- en staart"menu's om de grootte van de lijnuiteinden te wijzigen. Klik op de omkeerknop als u het begin- en eindpunt van de lijn wilt omwisselen.
Klik op Verwijder middenpunten om alle punten tussen het begin- en eindpunt van de lijn te verwijderen.
Met het venstermenu Lijnkruisingen bepaalt u wat er met de lijn gebeurt als deze andere lijnen kruist. Kies een van de kruisingen als u wilt dat de lijn over andere lijnen heen springt of onder andere lijnen door loopt, of kies Negeer deze lijn als u wilt voorkomen dat andere lijnen over de lijn heen springen of eronderdoor lopen. De kruisingen zijn afhankelijk van de volgorde van de betrokken lijnen. U kunt de volgorde van objecten aanpassen met de commando's Plaats vooraan en Plaats achteraan in het Rangschik-menu.
U kunt ook de lijn van een canvas zelf bewerken. Klik op het canvas in de zijbalk (zodat het wordt gemarkeerd in uw selectiekleur) en maak gebruik van de beschikbare regelaars in het infovenster Lijn.
Vormen inkleuren met het infovenster Vulling Objecten van schaduwen voorzien met het infovenster Schaduw →